De pen bij de kladden…..
Gepubliceerd in Spiegel magazine 2, december 2006
Tegenwoordig kun je voor een niet al te flinke duit aan een goede penset te komen, en kun je met beperkte middelen onze vriend karper belagen. Zolang alles maar in balans is moet je het eerder bij jezelf zoeken als het weer eens niet meezit dan je hengel een gooi geven als je net die ene beer hebt verspeeld. Van het voorjaar is het mij nog overkomen dat ik de verkeerde afweging maakte en daardoor als verliezer uit de strijd kwam, had ik maar…Uiteindelijk gaat het toch om degene achter de hengel.

Ik heb mijn penmateriaal door de jaren heen uitgebreid en ben nu op een punt beland dat ik eigenlijk in elke situatie wel uit de voeten kan en mijn materiaal daarop kan aanpassen. Een light (1lb) / medium (1,5lb) / heavy (2lb) zijn de klasse hengels waar ik het dan over heb. Ben je meer op zoek naar een allround hengel dan zou ik zeker voor de medium hengel gaan en deze dan in een lengte van 3,60mtr of 3,90mtr nemen, met deze lengtes ben je de rietkragen de baas en kun je met een licht lijntje uit de voeten, mocht je toch wat meer obstakels in je nabijheid hebben dan heb je nog redelijk wat in te brengen. Zelf heb ik een tijdje een penhengel van 4,20mtr gehad maar binnen mijn penvisserij kon deze lengte me niet bekoren. Vooral tijdens het sluipwerk tussen bomen en het landen van de vis vond ik deze lengte eerder een nadeel. Degene die mijn vorige artikel hebben gelezen weten dat ik als het om penmateriaal gaat een voorstander ben van klassiek gerei, zoals de glashengels van Jan Schreiner tot aan de korte Hardy juweeltjes. Om nu een hele discussie los te weken wat nou de ideale penhengel is, beperk ik me tot mijn persoonlijke voorkeur glashengels uiteraard. Vergeleken bij de slanke penhengels die je veel tegenkomt in de hengelsportzaken zien die glashengels er maar grof uit maar ik red me er prima mee. En wie ben ik als jij de ene prachtkarper na de andere vangt op een moderne afstandsstok. Nogmaals het gaat om de persoon …
Ok, die ouwe taaie glasstok van Jan Schreiner weegt wat maar ik zou ‘m voor geen goud van de hand doen, het is een hengel waar ik blindelings op vertrouw.
Is mijn ruimte beperkt en dan grijp ik naar de Richard Walker I of II voor het sleurwerk, deze klassieker met z’n 3,05mtr komt perfect tot z’n recht als je onder bruggen of bomen vist. Helaas worden deze hardy’s niet meer gemaakt, maar af en toe worden ze nog wel aangeboden via Marktplaats. Sta je op het punt een penhengel aan te schaffen zorg er dan wel voor dat deze niet te stug is, en over de gehele lengte een geleidelijke zachte buiging heeft. Je vist immers onder de kant en zo’n strakke stok kon nog wel eens voor lossers gaan zorgen als je de vis op korte afstand drilt.
Als ik kijk naar de molens die ik voor het penwerk gebruik, staat er voor mij een molen op de eerste plaats en dat is de penn 450 SS. Deze molen heeft alles wat ik zoek binnen mijn visserij, niet teveel poespas, een metalen spoel, ligt lekker in de hand en uiteraard een fijne slip. Daarnaast gebruik ik voor het lichte werk en als er geen obstakels in de nabijheid zijn een abu cardinal 33 of een centrepin. Vooral met de centrepin is het een spektakel een karper te drillen, het komt nu echt op de kunde van de visser aan een slip heb je immers niet, wil je de vis blokken dan dien je je duim tegen het wiel aan te drukken. Ik kan me de ochtend nog goed herinneren toen ik mijn eerste karper aan het drillen was met het wiel, al snel had ik wat collega vissers om heen staan die op het vreemde geratel van de centrepin afkwamen. Maar om terug te komen bij de molen dient het in ieder geval een perfecte slip te hebben en dan zul je in praktisch alle situaties uit de voeten kunnen. Al moet ik zeggen dat het huidige aanbod gigantisch is en er degelijke molens op de markt verkrijgbaar zijn, ik houd het toch maar bij deze oudjes er zijn immers al genoeg zaken waarover je kunt dubben. Denk eens aan de lijnen die we gebruiken, ook hier is het aanbod weer mega. Ik heb dan ook diverse nylonlijnen geprobeerd, Maxima, Suffix, Berkely Biggame, Berkely Tournament, Soft Steel van Fox, Kryston. Deze lijnen heb ik gebruikt van 0,20mm tot 0,35mm en voldoen de meeste lijnen wel, maar zijn er momenteel 2 lijnen die er voor mij uitspringen en wel de Kryston 0,25mm en de Fox Soft Steel Camo 0,30mm. De Kryston lijn is met een fluorcarbon laagje die in het water lastig te traceren is. De Soft Steel Camo heeft om de paar centimeters een andere kleur waardoor deze lijn ook lastig onderwater te traceren is. Deze lijnen zijn ook tamelijk zacht en hebben wat rek, eigenschappen die ik wel kan waarderen voor het korte peuterwerk. Gevlochten lijnen gebruik ik niet althans niet voor het pennen, voor het steunenwerk aan de rivier vis ik alleen nog maar met gevlochten lijnen maar dat is een ander verhaal.
Aangezien mijn meeste stekken toch redelijk obstakelrijk zijn vis ik veel met lijndiktes varierend van 0,25mm – 0,32mm en heb ik mezelf vaak afgevraagd of ik met deze toch wel grove aanpak de karper voor de gek kon houden. Zo ben ik al vrij vlot gebruik gaan maken van gevlochten onderlijn materiaal, ligt mijn hoofdlijn boven 0,25mm dan zal ik altijd een gevlochten onderlijn gebruiken. Je bent dan toch in staat een natuurlijke aanbieding te creeren en met klein aas te vissen en dat is voor mij een belangrijke met kleine aasjes te werk gaan. Die onderlijnen zien er simpel uit een haakje varierend van mt4 tot en met mt10, met of zonder hair afhankelijk van het aas en de omstandigheden. De onderlijn bevestig ik middels een klein ringetje (je kent ze wel die we gebruiken voor al onze complexe anti-eject rigs, ja ja ik ook!!) aan de hoofdlijn.
En welke haken zijn dat dan, nou eigenlijk dezelfde haken die we binnen het steunenwerk ook gebruiken, om een paar haken te noemen die bij mij hoog in het vaandel staan zijn: ESP Raptor T6, Drennan Continental Boilie Hook en de Ashima 420 en 887. Daarnaast heb ik nog een paar zakjes bledhaken liggen, dit zijn eveneens de grootste haken die ik gebruik voor als er met een zachte aardappel gevist wordt. Maar vooral de kleinere maten worden de laatste jaren veelvuldig door mij ingezet, ik ben nu in staat om met weinig poespas een luchtige aanbieding te creeren. Nee, niet meer creatief met kurk de zwaar gesmede haak compenseren die tijd is echt voorbij. Vooral de wateren die ik bevis hebben niet zo’n strakke gelikte bodem, het is meestal vissen tussen de drab en vuil en behaal ik betere resultaten als m’n aasje licht op de bodem rust. Nu het gebruik van steeds kleinere haken bij de meeste onder ons wel is doorgedrongen valt het soms niet mee dat gemene stukje metaal met de vingers los te wippen uit de karperbek. Immers zo’n kleine haak is gauw gevuld toch!! en ik ben meerdere malen getuige geweest dat men het haakje pas onder hoge druk kon lossen en als resultaat een onnodig grotere haakwond veroorzaakte. In zowel mijn pentas als grote rugzak heb ik standaard een onthaaktang en wip ik zonder problemen de haak uit de karperbek.
Een onderwerp waar alles al over geschreven of gezegd is aas, en kijkend naar mijn statische visserij zullen boilies mijn eerste keuze zijn. Het voordeel wat je echter met het penvissen wel hebt is dat je zelfs de kleinste aasjes kunt inzetten, voeren is geen probleem aangezien het hele avontuur onder de eigen kant plaatsvindt. Elk aasje heeft wel onder m’n pennetje gestaan, van de ouwe klassiekers zoals zoete mais, aardappel, zachte kattenbrokken, deegjes, vlokjes brood, piertjes, maden, casters maar ook de bekende boilies, tijgernooten, pellets, hazelnoten enz. Ik heb zeker niet alle aasjes genoemd en je staat er versteld van waarmee we onze karper mee kunnen verleiden. Waar je wel rekening mee moet houden is dat we er zeker niet alleen karper mee vangen, regelmatig loopt er ook wel een brasem of zeelt tussendoor, met de pen vind ik het geen probleem het houd me scherp. Ben je van plan de penstekken aan te voeren dan is het wel degelijk van belang hier rekening mee te houden. De meeste wateren die ik bevis hebben meestal een aardige bezetting aan witvis, dus een voercampagne met een mix van zoete mais, hennep en wat casters laat ik wel uit m’n hoofd in de zomer of najaar. Je dient met meerdere factoren rekening te houden als je met een bepaald aasje aan de gang wilt gaan. De hierboven beschreven mix durf ik zeker wel in de koudere periode in te zetten, de witvis is dan wat passiever en zullen de ongenodigde gasten zich niet zo vaak laten zien.
Ik zit er zeker niet op te wachten als ik op mijn voorgevoerde stekjes de ene brasem na de andere op de kant trekt, het gaat altijd nog om de karper. En middels dat voorvoeren probeer ik toch zoveel mogelijk karpers te bereiken en ze met regelmaat te confronteren met mijn aas. Je kunt dan domweg een water vol dumpen met voer en denken dat je daarmee een water volledig naar je hand zet maar dat is mijn ogen een te simpele gedachte. Als ik een nieuw water aanpak zijn de volgende punten die ik voor mezelf helder probeer te krijgen:
- bodemverloop
- bezetting
- trekroute
- hotspots
- geschiedenis van het water
- concurrentie ‘collega karpervissers’
Zodra deze punten zijn bepaald ga ik pas nadenken over hoe en waarmee ik het water ga bevoeren, niet dat op basis van de genoemde punten je verzekert bent van dikke beren in het net maar het begin is er. Een voordeel met het pennen heb je wel gezien het feit dat je mobiel bent. Nu ben je in staat meerdere stekken te kunnen aanvoeren en ze beurtelings af te vissen (ofwel ‘afromen’ of een term van de laatste jaren ‘hit&run). Een tactiek die voor vele penvissers onder ons niet weg te denken is, en in mijn optiek een manier om een ‘nieuw’ water snel te kunnen doorgronden. Mits je hier met een beetje verstand mee omgaat kunnen stekken lang productief blijven. En schroom zeker niet hiermee te varieren, een compacte voerstekje en een volgend stekje juist verspreid aangevoerd. Een meter of wat naast de voerstek vissen kan nog steeds voor verassingen zorgen, zelfs op de druk beviste wateren. In mijn omgeving zie ik nog steeds de meeste karpervissers vrij eenzijdig een stek bevissen of het nou met de pen of steunen is, de hengel is ingegooid en er wordt een handje voer op geschoten en het wachten kan beginnen. Nee, toen ik overstag ging en mijn karperwereld verrijkte met de steunen visserij heb ik getracht m’n penwerk te vertalen naar zingende delkims.
Al moet ik wel bekennen dat het enorm wennen was de overstap te maken, alleen al het gezeul met tent, stretcher, foedraal en een 60ltr rugzak. De inspanning om alles in een keer naar de waterkant te krijgen vergde nogal het nodige zweet, maar ook ik ben tegenwoordig van alle gemakken voorzien.
Terugkomend bij het pennen gaat mijn voorkeur uit naar de schuifpen bevestiging, je kunt deze door middel van een kleine speltwartel over de hoofdlijn laten schuiven of gewoon door het oogje onderaan de pen en middels een garenstopper op de hoofdlijn op gewenste diepte brengen. Een voordeel ten opzichte van een vaste dobber bevestiging vind ik dat je met de schuifmontage zelfs onder bomen, bruggen of diepe stekken goed uit de voeten kunt. Bij de schuivende afstelling rust het pennetje op het eerste loodje op de hoofdlijn en is het een koud kunstje je pennetje onder een brug te plaatsen. Met een vaste dobber vind ik het vrij lastig aangezien er veel lijn kan zitten tussen het pennetje en haakaas, afhankelijk van de diepte uiteraard.
Van de 3 basis uitlodingen die we kennen de staande / de half liggende en de liggende haak. Ik zal niet ontkennen dat je met de staande haak de beste beetregistratie hebt, maar toch gaat mijn voorkeur uit naar de half liggende haak als de omstandigheden het toelaten. Met deze uitloding loopt de hoofdlijn of onderlijn weg van het aas en daarmee voorkom je lijnzwemmers, en aangezien het laatste loodje naar de haak niet op de bodem rust zal elk gerommel aan het haakaas te waarnemen zijn via je pennetje en heb je genoeg tijd hierop te anticiperen. Een praktijk voorbeeld: Zo beland ik zo nu en dan aan een penwatertje bij mij in de buurt en door de jaren heen zijn de vissen ook hier wijzer geworden. Zodra de eerste vissen zich op mijn voerplek melden inspecteren ze eerst de stek door middel van op half water vanuit verschillende hoeken de stek te benaderen, heb ik mijn laatste loodje te dicht op de haak dan is het feest gauw voorbij. En als de karper de lijn voelt is een grote boeggolf het resultaat. Plaats ik nu het laatste loodje op een meter of zelfs meer dan weet ik ze toch vaak te strikken. Maar ook met het uitloden kun je eindeloos varieren, al probeer ik wel zo min mogelijk lood te gebruiken liever een AA dan drie BB loodjes.
Zit ik op stromend water dan gebruik ik de liggende haak, doordat het laatste loodje naar de haak nu wel op de bodem rust zal het haakaas beter op de bodem blijven liggen. Met de half liggende haak zou je onder deze omstandigheden zien dat het hele handeltje zich constant strekt en mijn haakaas te veel beweegt.
De pennen die ik tijdens de struintochten in mijn pentas heb varieren nogal van kleine pennetjes tot pennen van een goeie 14 cm. Wat deze pennen gemeen hebben is het drijflichaam, deze is hoog geplaatst. Door de jaren heen bevallen deze dobbers mij het best en staan ze hun mannetje als er een stevige kabbel op het water staat. Deze dobbers zijn praktisch in elke hengelsportzaak te krijgen en aangezien deze pronkstukjes bij mij nog wel eens sneuvelen zorg ik er altijd voor dat ik ze ruim op voorraad heb. Pauw- pennen kun je zeker ook gebruiken maar persoonlijk ben ik toch van mening dat je dan teveel weerstand krijgt, nee dan denk ik toch dat je met een pennetje met een slanke antenne een fijnere presentatie krijgt.
Voordat ik deze episode ga afsluiten en verder ga met mijn zoektocht naar een koude rivierkarper blijkt weer dat we praktisch over elk onderdeel binnen onze hobby kunnen blijven debatteren. Maar een ding staat centraal blijf genieten, voor de een betekent dit op jacht naar een bepaalde topper van een water en voor de ander is het gewoon vis vangen.
Die beer die ik in het voorjaar verspeelde komt zowaar weer in mijn gedachte, ik denk dat ik het weekend maar wat voerplekjes ga uitzetten en wie weet pen ik d’r voor even….
